Homepage / Inspectie en aanleg vloeistofdichte vloeren / Aanleg en herstel vloeistofdichte vloeren
Aanleg en herstel vloeistofdichte vloeren

In de Activiteitenregeling zijn in artikel 3.25 en 4.94 eisen gesteld aan de aanleg van de vloeistofdichte voorzieningen en bedrijfsrioleringen. Dit laatste om te voorkomen dat vloeistoffen die gemorst worden alsnog via een lekkende riolering in de bodem terecht komen. De vloeistofdichte voorziening en bedrijfsriolering moet vloeistofdicht zijn aangelegd overeenkomstig het daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument (BRL 7700) door een daartoe gecertificeerd bedrijf dat is erkend op grond van het Besluit bodemkwaliteit. De BRL 7700 is de opvolger van de BRL’s 2319, 2362, 2371, 2372 en bevat criteria op basis waarvan een vloeistofdichte voorziening moet worden aangelegd of hersteld.

Na aanleg van een vloeistofdichte vloer geeft de aannemer een BAOC (Bewijs Aanleg Onder Certificaat) af. Deze BAOC is gedurende 6 jaar gelijkwaardig aan een Verklaring Vloeistofdichte Voorziening. Na 6 jaar moet een inspectie door een geaccrediteerd en erkend inspectiebedrijf plaatsvinden.

De verplichting om de vloeistofdichte vloer en het aangesloten afwateringssysteem aan te laten leggen door een erkend bedrijf geldt voor alle afleverplaatsen waar meer dan 25 kubieke meter vloeibare brandstof wordt afgeleverd. Niet alleen aan motor- en spoorvoertuigen maar ook aan snor- en bromfietsen, agrarische voer- en werktuigen etc. Als in de inrichting minder dan 25 kubieke meter per jaar wordt afgeleverd dan is een vloeistofdichte vloer of verharding niet verplicht. Er mag dan ook een andere bodembeschermende voorziening worden toegepast, bijvoorbeeld een vloeistofkerende voorziening met incidentenmanagement. In bepaalde specifieke gevallen mag in plaats van een vloeistofdichte vloer of verharding een geomembraanbaksysteem worden toegepast.

Klik hier voor erkende aannemers.